2 seconden
Verschenen in Runners World opMarathonflarden
Ik mag het WTC niet uit. Ik ben iemand die normaal gesproken, kwa uiterlijk en leefgewoonten zeg maar, het gemiddelde World Trade Centre helemaal niet in mag, maar nu mag ik er dus niet uit. We worden namelijk zo direct naar de start gebracht, waarbij we staat voor een stuk of 40 atleten, en de start op de Coolsingel ligt. Hartje Rotterdam, mooiste marathonstad van Nederland. Over twintig minuten knalt het kanon, dus zo langzamerhand wil ik wel naar buiten.
11 uur 42, ik mag, we mogen:nog even dribbelen, inlopen, versnellinkjes, slokje water slokje water, shirtje uit, hier en daar nog een paar woorden, nog even een handje, plekje zoeken op de tweede, derde startrij, ik zoek Nadja en haar haas, ik kijk in de groep achter me of ik een ander loopmaatje zie, ik zet mijn bidon weg en kijk omhoog, laatste diepe zucht, de knal en dan weg.
Twee kleine duwtjes tegen een rug voor me, mijn benen hebben meteen door wat er voorlopig van ze verwacht gaat worden, ik loop, ik loop en met mij 10.000 anderen. Heel veel lawaai om me heen, maar rust in mijn hoofd. Ik hoef niet meer te praten, ‘wat ik ervan verwacht’ en ‘hoe ik me voel’ is niet meer van belang, de eerste kilometer en het tempo zijn dat nu even wel. Nog voor de Erasmusbrug is onze groep gevormd, Nadja en haar haas (een Waal-rus, vanwege afkomst en woonplaats), de haas van dienst, een Japanse loopster en een flinke pluk mannen daarachter.
Eerste kilometer wat te hard, 3.15, tweede dus wat te langzaam, 3.40, de hazen reageren met iets van een versnelling, we hebben het ritme nog niet helemaal te pakken. Ik merk dat ik wat te veel om me heen kijk, naar de andere lopers, en dwing mezelf tot concentratie. Lopen, ademen, ontspannen.
We zijn in Zuid, zoals dat hier heet, of op Zuid of weetikveel, onder zo’n sfeervolle metrobaan door en dan naar rechts, een beetje havenachtig gebied. Ik voel dat het tempo pittig is, of lijkt, en ben blij dat Veron naast me opduikt:
gaat lekker?
goed dat je er bent!
1.14?
lijkt me mooi,
en dat dan terwijl je met 17 per uur langs containers en fabriekshalletjes schuift.
Alles is zoals het vooraf bedacht was, de goede groep, het goede tempo, lekker weer ook, nu es voelen hoe alles voelt. Dat is een soort doorlopende zelf-check die ik altijd uitvoer als ik hard loop, tijdens een wedstrijd of een zware, snelle training dus. Wat zeggen de voeten, de kuiten, de bovenbenen, de liezen, de buik en alles wat daar inzit, is er ergens een signaal, is er ergens iets dat een pijntje zou kunnen worden. In de eerstkomende twee uur en nog wat. Alle berichten zijn positief, alles voelt zoals het zou moeten.
Het gevoel klopte, het gaat niet langzaam, 5 kilometer in 17.19, dat is dan een seconde of 11 harder dan gepland, maar over secondes ga ik me voorlopig niet druk maken.
We lopen door een woonwijk, en was het geluid in Rotterdam-centrum nog een brij, nu begin ik me te realiseren dat echt elke Rotterdammer weet dat ik hier vandaag ben en loop, en dat ze me dat ook allemaal willen laten weten. Ik schrik nergens van, en hoop dat de rest van de groep doet alsof ze ook Dolluffie of Jansen! of iets aanverwants heten.
De eerste verzorgingspost gaat me goed af, ik zie en grijp in een moment van soepelheid mijn bidon – water met fantomalt – en drink rustig en zo veel mogelijk. Ben je toch weer een kilometertje verder. En dan nog een, en nog een, want (ook) dat is een marathon lopen: kilometers afdraaien, zonder dat je erover nadenkt, bijna zonder dat je het merkt. Tegen de tijd dat je het gaat merken, worden ze vaak wat langer, en wat zwaarder ook, die kilometers.
Een kilometer is een kilometer is altijd 1000 meter, maar de ene 1000 meter is de andere niet, zeker niet voor de marathonloper. Hoeveel stappen is een kilometer? Hoeveel tegels is dat, hoeveel strepen op de weg, hoeveel mensen langs de kant?
Mooie brede asfaltwegen hebben ze hier, en wat schijnt het zonnetje lekker, en wat ben ik positief over alles. Ik denk nog lang niet aan later, aan die eindtijd, aan die laatste kilometers, ik doe mijn zelfcheckjes en probeer zo min mogelijk energie te verbruiken.
Raar toch, zo hard lopen en ondertussen energie sparen. Voor later, want de marathon begint pas bij 30 kilometer, of 35 zelfs, het is maar naar welke commentator je luistert. Zoals het ook scheelt achter wie je loopt, in zo’n groep. Ik lig al een paar keer in de clinch met zowel de beenbewegingen als de (puntige) ellebogen van een van de anderen in de groep, ik geloof dat hij mij niet vlak achter zich wil, maar als ik een beetje uitwijk gaat hij ook opzij, en heb ik soms moeite om mijn evenwicht te bewaren. Als het even kan, en er geen wind tegen te bespeuren is, loop ik wat naast de groep, zodat ik mijn eigen pas kan lopen, en een beetje kan ontspannen. Raar toch, zo hard lopen, en ook nog willen ontspannen.
En een beetje rekenen ook: 10 kilometer in 34.25 betekent 17.06, de volgende 5 gaat in 17.27. zitten we dus op 51.52. Het is vreemd: het gaat een beetje te hard, maar dat geeft ook wel een lekker gevoel, zolang dat makkelijk gaat. Het geeft een soort van speling voor de tweede helft, speling die ik nodig zal hebben, want ergens als die marathon echt begint (30, 35?) lever ik altijd wat tempo en tijd in. Als ik goed loop een paar minuten, als ik minder goed loop een paar meer. De echte klap van de echte man met de echte hamer is me tot nu toe in elf marathons altijd bespaard gebleven, en daar moet ik ook niet aan denken, want ik vind de pijn die ik in mijn variant tegenkom al erg genoeg, dankuwel.
Net na de 15 vindt de camera-motor ons, hij rijdt nog wat in de weg als de verzorgingspost nadert, maar ik krijg dit keer mijn flesje zelfs aangereikt van een zeer oplettende helper en hoef me dus (weer) nergens druk om te maken. Dat is het prettige van zo’n marathon: je hoeft maar een ding te doen, en je moet je dus ook vooral nergens anders mee bezighouden. Slokje slokje, plekje zoeken als de groep 300 meter na de waterpost weer in elkaar schuift, en doorlopen.
Nergens aan denken dan dat, niks anders horen dan je eigen ademhaling, en weer een paar duizend Rotterdammers die me iets toeroepen natuurlijk: 2 uur 30 kan jongen!, maar ook: leuk is anders! Het eerste is dan een terechte verwijzing naar mijn doel in deze marathon, het tweede naar een radioprogramma dat ik maak. Of naar het gevoel dat je hebt als rond kilometer 17 je voet pijn begint te doen. Die linkervoet waar ik al maanden last van heb, en waarvan ik wist dat ie me op deze dag zeker niet helemaal met rust zou laten. Een beetje pijn wordt iets meer pijn, en dat geeft weer een beetje twijfel: kan ik het wel, kan ik het vandaag wel, wordt de pijn erger, hoeveel kan ik hebben, zit mijn haar nog een beetje behoorlijk?
We komen in de buurt van de Kuip, een heerlijke plek om als Amsterdammer niet alleen ongestoord maar zelfs toegejuicht langs te stomen. Maar heerlijk gaat het even niet, ik moet de groep met Wijenberg en de snelle Japanse en de hazen en de punt-elleboog laten gaan. Ger Wijenberg fietst nog even naast me mee en roept dat ik mijn eigen tempo moet lopen, maatje Paul roept dat ik naar de groep moet blijven kijken, want achter me zit eigenlijk niks. Dat is natuurlijk niet helemaal waar, want er komen er nog een kleine 10.000, maar u begrijpt wat hij bedoelt.
Door wat ze roepen, door wat er gebeurt, door even om me heen te kijken, ik weet het niet, maar mijn voet vergeet ik gewoon, en dan voel je ‘m ook niet, althans minder, en dan vind je weer wat ontspanning en dan zie je tot je eigen verbazing dat je niet verder van de groep afmoet, maar er juist weer naartoeloopt.
‘Loop het gat niet te snel dicht!’, Ger weer. Ik loop op een lange lange asfaltweg, rechtdoor tot de Erasmusbrug geloof ik, en de skyline van de Maasboulevard, en dan de Kralingseplas en dan de Coolsingel en dan…sorry.
20 kilometer in 1.09.23, halve in 1.13.17. Vooraf had ik een soort ideale race in mijn hoofd, en ik loop wel eng dicht op dat schema. Zou ik het dan eindelijk doorhebben, na dik 22 jaar hardlopen? Afgelopen Dam tot Dam was bijvoorbeeld mijn eerste race ooit die ik in een volledig constant tempo, van 3.20 per kilometer, wist te lopen. Jarenlang ging ik meestal wat te hard weg, in mijn tweede jeugd ging ik juist vaak met wat te weinig durf op pad, wellicht is dit mijn derde jeugd, of kan ik het eindelijk een beetje, hardlopen, nadenken en klokkijken en dat allemaal tegelijk.
Ik zie de Erasmusbrug, en loop weer waar ik wil lopen, in de groep, op kop zelfs, omdat ik graag voorin die groep aan de klim wil beginnen. Dus dat doe ik, en het gaat nog makkelijk ook. We dalen af de stad in, je ziet heel in de verte de laatste 500 meter liggen, maar eerst nog 18000 andere. Meters. Piece of cake, toch?
Mijn ouders staan ergens in deze bocht, ik zie ze niet, maar dat ik weet dat ze er zijn doet me erg goed. Kilometer 25 geeft me de volgende kick, 1.17.00 en dus 17.37, plus dat alle waterdragers van de verzorgingspost mijn naam scanderen, en ik mijn vocht weer goed binnenkrijg en ik, bijna tot mijn eigen schrik, bemerk dat ik makkelijker loop dan de rest. En dus laat ik de groep achter me. Een blaasorkest blaast mijn hoofd weer es leeg, ik realiseer me dat ik nog helemaal niet aan een eindtijd, aan een mogelijke eindtijd, heb gedacht, en neem me gelijk voor om dat ook zo lang mogelijk niet te doen. Je loopt er wel voor, en naartoe, maar wat er nu gebeurt is belangrijker dan wat er staks wel of niet op die klok staat.
Weer gaan mijn gedachten langs mijn hele lichaam: voet doet pijn maar niet te, benen beginnen wat te piepen, maar nog niks om je druk over te maken, mijn buik of maag of wat zit daar allemaal gedraagt zich…later zal ik horen en zien dat dit precies het stuk is waar Greg van een soepele Tilburgse hinde veranderde in een man met zware buikkrampen. Zo loop je 15.25 per 5, zo zit je gebroken op een toevallige Rotterdamse plee.
De Kralingseplas, en de wijk die daarbijhoort: voor het eerst moet ik aan vorig jaar denken, toen hier (kilometer 35, toen) een paar hele grote geluidsboxen mij Sexmachine van ‘the hardest working man in showbusiness’ Jaaaaaaaaaaames Brown toebliezen, en me daarmee even de pijn deden vergeten. Die trouwens op de Maasboulevard net zo hard weer terugkwam. Want toen had James pauze, denk ik. Terwijl ik probeer een gaatje te dichten naar twee lopers voor me, denk ik ‘was dit maar al de 35, net als vorig jaar, dan was ik nu 5 kilometer verder dan ik ben, en dan ging ik het zeker redden’. Maar ‘het redden’, daar mag ik nog niet aan denken, heb ik net verteld. Dus. En 5 kilometer verder ben ik nog lang niet. Op het moment dat ik aanhaak bij de twee voor me, versnelt een van hen een beetje, en moet ik ze alweer laten gaan. Ik steek even over om water te kunnen pakken, en merk dat eigenlijk alleen precies rechtdoorlopen nog redelijk pijnloos kan. Maar goed, als het parcours je linksaf stuurt, dan doe je dat. En dan weer naar rechts, de lus op die achter de plas is bedacht om de 42 kilometers helemaal vol te maken. Had van mij niet gehoeven, meneer Kadiks…
Paul roept me toe dat achter me de Japanse nadert, en dat ik moet proberen…precies. Ik merk dat ik al snel naar de overkant van de weg begin te kijken, alsof ik denk dat ik op die manier ga kunnen inschatten hoe lang ik nog moet tot dat keerpunt.
Elke pas die ik nu doe moet straks nog een keer, en ik voel, ik weet, dat ik niet zo heel veel meer heb, ik weet dat de echte pijn, de pijn van alleen nog maar kunnen door-lopen en verder helemaal niks, dat die pijn en die onmacht nu snel naderbij komen. Ik zie Chepkemei aan de overkant langskomen, dat moet betekenen dat ik nog een minuut of drie de verkeerde kant opmoet. Ik wil wel, maar ik wil niet meer, ik kan nog wel, maar eigenlijk kan ik niet meer. Waar blijft dat keerpunt?
De Japanse passeert me maar loopt momenteel even op een andere planeet. Geeft niks, ik doe het nog steeds goed, ik doe het nog steeds veel beter dan ik vooraf had mogen hopen, had kunnen denken. Denk ik. Hoop ik.
WAAR BLIJFT DAT KEERPUNT?!
Ger roept dat het kan, dat ik dit tempo moet vasthouden, dat het fantastisch gaat. Ik denk ‘als dit fantastisch is wil ik mezelf wel eens in de problemen zien…’ Maar goed, die foto’s zie ik later wel. Eindelijk, dat keerpunt, ik geloof dat er heel veel mensen staan, maar ik kan niet zo veel meer in me opnemen. De 35 is het volgende ijkpunt (1.44.49), niet dat ik nog veel reken, maar het betekent toch weer even afleiding en dan de verzorgingspost en…Gerard Nijboer staat op Nadja te wachten en roept dat 2.29 moet kunnen. Zijn Nederlands record is veilig, dat ook ja.
Tuurlijk, hij (zij?) is mooi, de Kralingseplas, maar ik heb het er zo zwaar. Ik weet dat ik geen tempo meer kan vasthouden, mijn bovenbenen doen nog wat ze moeten doen, maar er zit geen kracht meer in, geen enkele souplesse, het is werken en de pijn verbijten en niet denken aan wat kan en vooral niet denken aan hoe mis het nog kan gaan. Paul en Ger zijn weer in de buurt, en kunnen niet meer doen dan me aanraden helemaal aan de binnenkant van de weg te lopen, dat scheelt centimeters en centimeters zijn secondes en secondes is waar het om draait. Straks.
Paul roept dat het hier een beetje vals plat is, hij roept dat ik de laatste tien minuten gedragen ga worden door de mensen, hij roept van alles. Ik voel tranen in mijn keel, dat mag niet, dat mag nog niet, ik probeer met mezelf te praten, zeg tegen mezelf ‘je doet het helemaal zelf, je doet het helemaal voor jezelf!’ Dat is wel niet waar, maar op kilometer 38 sta je niet meer onder ede.
Ik denk dat ik in de verte, langs de weg, Ernie zie staan, niet die van Bert, maar een vriend met wie ik al 20 jaar loop-lief en –leed deel. Ik weet dat het niet kan, want hij zit op Sicilie, maar omdat hij er eigenlijk altijd bij is als ik een marathon loop, zie ik hem toch staan.
Het blijkt natuurlijk iemand anders te zijn, ook kalend en gebruind en goedgebouwd en …, ik moet verder, altijd verder. Het is niet lang meer, maar wat is het nog zo een eind.
Eindelijk, de bocht naar rechts die me Rotterdam weer binnenleidt, nog meer mensen langs de kant, ik hou van ze, allemaal, als ze me maar net dat weten toe te roepen dat me op gang houdt, net dat wat over en door de pijn heengaat. Want die is nu overal, mijn voeten, kuiten soms tegen de kramp aan, bovenbenen willen helemaal niks meer, liezen willen rust, buik…ach, hou toch op! Lopen kreng, dit is toch wat je zo graag wil, dit is toch wat je zo nodig moet, elke dag weer, elke keer weer. Ik probeer mezelf kwaad genoeg te maken om de laatste drie kilometer aan te kunnen. Tramrails, bochtje, vlaggen langs de kant, nog een flard muziek, Ger is nog een keer in de buurt, ik moet 3.40 per kilometer vasthouden en in elk geval niet langzamer. Ik weet allang niet meer wat 3.40 is, laat staan per kilometer.
40 kilometer, 40 KILOMETER, ik registreer wel dat ik nog net binnen de 2.22 zit, maar niet wat dat betekent voor die laatste 5. Ik reken nu alleen nog maar vooruit. Ik wist, tijdens de dromen vooraf, dat 2.22 precies de grens was: eronder betekent dat het kan, dat het moet, erboven betekent dat ik kansloos ben.
Lopers aan de overkant roepen me van alles toe, ik wil niet meer, ik moet alleen nog maar. Ik kan niet meer, maar kan toch nog wel. Ik moet wel.
Weer een bocht naar rechts, 41 kilometer, lawaai, kubuswoningen, nog 1000 meter te gaan, als ik het goed zag heb ik nog 3.36, maar zag ik het goed, en hoeveel is 3.36 na 41 kilometer en 195 meter.
Alles wat ik ‘ervoor gedaan heb’ zit in deze laatste kilometer: de tientallen trainingen met weer harde wind en weer kou en weer regen en hagel en sneeuw, de weken en weken dat ik met pijn liep, en probeerde op zachte grond (schelpenpaden langs de plas, bospaden soms, voetbalvelden desnoods) mijn voet te ontzien, die ene 33 kilometer lange duurloop in oplopend tempo in een heuvelachtig bos net op die ene dag dat het zomaar 22 graden was, de duurloopjes en losloopjes en herstelloopjes en tempoloopjes en…
Tijdens al die trainingen dacht ik zo vaak aan deze kilometer, aan dit moment, aan een soort van beloning die hier ergens middenin Rotterdam zou liggen, aan de kracht die ik zou hebben, aan het wonder van 2 uur en 29 minuten.
Zou Khannouchi ook zo aan de 2uur05 gedacht hebben, droomt Chepkemei zich met een 2uur18 door haar zwaarste trainingen heen?
Ik zie aan de mensenmassa dat we nog een bocht te gaan hebben, ik weet dat precies daar de 500 meter ligt, op het laatste moment zie ik dat ook die ‘500 meter’ een klok heeft, ik probeer te lezen wat erop staat, zie een 2 en dan 28 en de rest kan ik niet zien omdat een zeer enthousiaste supporter een te groot hoofd heeft. Op de verkeerde plek. Ik zie zijn, ook grote, mond. Hij roept iets, het verdrinkt in de golven van geluid om ons heen. Mijn lichaam helt naar rechts en weet zo de bocht te nemen, dit moet toch de Coolsingel zijn, dit is de Coolsingel! Bijna bijna bijna.
Alles geven is een gepasseerd station, omdat ik tussen 34 en 41 alles al gegeven heb. Heb ik nog iets meer dan ‘alles’, dat is de vraag. En is dat voldoende?
In een oogopslag kan ik alles zien dat nog belang heeft, hier, nu, altijd: de bordjes met 400 meter en 350 meter en 300 meter, het asfalt waar die bordjes naar verwijzen, de deinende vlek van duizenden mensen eromheen, en de klok de klok de klok.
De ideale lijn heb ik allang verlaten, de rechte lijn ook, elke drie, vier seconden kijk ik naar die klok, meedogenloos is een woord dat me nu even niet te binnen schiet, 48, 49, 50, 51, ik realiseer me dat ik niet onder de 2.30 ga blijven, maar erop is ook goed, denk chip, denk netto-tijd, denk 2.29.59. Ik zie 2.30 en dan niks meer, omdat ik onder de klok doorben, en daarmee over de streep, hoewel ik die nooit gezien heb.
Ik slalom, half-vallend, langs de mensen die daar staan omdat ze daar mogen staan, ik zoek een hek, ik vind het asfalt, geeft niks, effe knielen, effe liggen dan, ik vervorm tot een foetus met pijn in zijn poten, pijn overal, een vrouw met een microfoon zit op mijn rug, fotografen fotograferen (wie wil dit terugzien?), de stem van de speaker is zo vaak overgeslagen dat het normaal begint te klinken, ik sta weer, tranen lopen over mijn wangen, nog een paar foto’s dus, Cian (mijn zoon, 2, nog lang geen hardloper ben ik bang) wordt door Anton (fysiotherapeut, veel te verstandig om hardloper te zijn) in mijn armen getild, ik zoek met mijn blik Margriet (vriendin, fietst liever), tien meter verderop achter het hek:
wat was het?
dertig nul vier
wat?!
Ze durft het niet te herhalen, en zal me later, dagen later, vertellen, dat ze me nog nooit zo wanhopig heeft zien kijken.
Maarten, ook een loper, maar vandaag supporter, het barst hier van dat volk, roept 2.30.02.
Ik hou het hek vast om nooit meer los te laten, scheur maar open, Coolsingel, dit was het, tot zover, bedankt voor het kijken, ik ben een verliezer op twee, nee drie seconden.
Mijn ouders weten me te bereiken, en Margriet, ik laat me in plastic hullen en strompel weg. Het maakt me even helemaal niet uit waarheen. Ik ben al geweest, ik hoef niet meer. Ik ben klaar.